8 Brandveiligheid

In dit onderdeel wordt dieper ingegaan op de eisen met betrekking tot brandveiligheid van kunststof kozijnen. Achtereenvolgens komen aan de orde:

• Algemene informatie over brandveiligheid van kunststof gevelelementen;
• Bouwbesluit;
• Bliksembeveiliging.

8.1 Algemeen

De nationale regelgeving voor brandveiligheid is niet toereikend voor projecten hoger dan 70 m. Voor het bepalen van het concept van brandwerendheid bij hoogbouwprojecten kunnen de richtlijnen uit SBR-publicatie Brandveiligheid in hoge gebouwen aangehouden worden.
Gezien het feit dat de VKG-gevelelementenfabrikant meestal geen complete en/of gedetailleerde informatie heeft over de geldende prestatie-eisen met betrekking tot de brandveiligheid van een gebouw, dient de opdrachtgever voor elk element exact op te geven aan welke prestatie-eisen moet worden voldaan. Als de opdrachtgever geen informatie hierover verschaft, kunt u ervan uitgaan dat er met betrekking tot de brandveiligheid geen eisen worden gesteld aan een VKG-gevelelement.

8.1.1 Brandoverslag

Bij brand kan in principe bij elke gevel met gevelopeningen brandoverslag optreden. Er kan verticale brandoverslag optreden van de brandruimte naar de ruimte die erboven ligt. Bij brand in de onderste ruimte slaan, na het springen van een glasruit, vlammen naar buiten. De grootte van de uitslaande vlammen is van diverse factoren afhankelijk. Bij grote, uitslaande vlammen kunnen door de warmtestraling de ruiten van de bovenliggende ruimte springen en het interieur in brand vliegen. Bij een brandbare gevel kan de brand zich ook via de gevel naar boven uitbreiden.

Brand kan door de straling en/of uitslaande vlammen vanuit de brandende ruimte ook uitbreiden naar naastgelegen ruimten (vooral bij gevels op de plaats van inwendige hoeken) of naar tegenoverliggende ruimten.
Bij brand ontstaan toxische gassen en rook. Dit kan leiden tot:

• vluchtbelemmering en eventueel paniek
• verstikking en/of vergiftiging
• belemmering van bluswerk

Als een gevel vlam vat, springt glas al in een vroeg stadium, en wel bij een temperatuur van circa 150º C. Door de dan uitslaande brand ontstaat langs de gevel een sterke opwaartse luchtstroom, waardoor alle gasvormige verbrandingsproducten van de gevel mee naar buiten worden gezogen.
De brandvoortplanting van kunststof gevelelementen valt volgens NEN 6065 maximaal in klasse 2. Bij sterke verhitting ‘verkorst’ het oppervlak, waardoor het onderliggende materiaal wordt beschermd. Bij vuurverschijnselen ontsnappen niet-brandbare ontledingsgassen. Dit werkt dovend op het vuurverschijnsel.

8.2 Bouwbesluit

Nieuwbouw
Het nieuwe bouwbesluit 2012 stelt als eis dat een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht voldoet aan rookklasse s2, bepaald volgens NEN-EN 13501-1. Kunststof kozijnen kunnen echter vallen onder de 10%-regeling(3) en worden daarom uitgezonderd van deze eis zolang het totale oppervlakte van de rookproducerende oppervlakken niet meer bedraagt dan 10% van de totale oppervlakte van de constructieonderdelen van elke afzonderlijke ruimte (wanden, vloeren en plafond). Opmerking: Bij vluchtwegen geldt deze vrijstelling niet.

Bestaande bouw
Bij bestaande bouw stelt het nieuwe bouwbesluit 2012 als eis dat een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de binnenlucht een rookproductie heeft met een volgens NEN 6066 bepaalde rookdichtheid van ten hoogste 10 m-1. Ook bij bestaande bouw geldt dat kunststof kozijnen kunnen vallen onder de 10%-regeling (3)(4).

8.2.1 Brandveiligheidseisen

De brandveiligheidseisen waaraan gebouwen moeten voldoen zijn vermeld in het Bouwbesluit. Met betrekking tot de brandveiligheid worden in het Bouwbesluit de volgende functionele aspecten onderscheiden:

a. beperking van de kans op het ontstaan en de ontwikkeling van brand;
b. beperking van de uitbreiding van brand;
c. beperking van het ontstaan en de verspreiding van rook;
d. aanwezigheid en inrichting van vluchtmogelijkheden;
e. voorkoming en beperking van ongevallen bij brand;
f. bestrijding van brand.

8.2.2 Materiaaleigenschappen

Voor constructieonderdelen van gebouwen zijn in het Bouwbesluit de functionele aspecten uitgewerkt in prestatie-eisen met bepalingsmethoden. De prestatie-eisen kunnen worden ingedeeld naar materiaaleigenschappen, constructie-eigenschappen en eigenschappen van daken.

De materiaaleigenschappen die, indien van toepassing (zie Bouwbesluit), beoordeeld worden zijn:

  • onbrandbaarheid: onbrandbaar in de zin van NEN 6064 en geen bijdrage leveren aan de brandvoortplanting;
  • brandvoortplanting: de mate waarin een materiaal bijdraagt aan de brandvoortplanting;
    • bestaande bouw: Bepaling vindt plaats volgens NEN 6065. De brandvoortplanting van kunststof gevel-elementen valt in klasse 2. De gevelvulling voldoet aan zowel de binnenzijde als de buitenzijde ten minste aan klasse 4 van de bijdrage tot brandvoortplanting, bepaald overeenkomstig NEN 6065.
    • nieuwbouw: Bepaling vindt plaats volgens NEN-EN 13501-1. Een deur, een raam, een kozijn en een daaraan gelijk te stellen constructieonderdeel voldoet aan brandklasse D, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.
  • rookproductie: de mate waarin een materiaal bij brand rook produceert;
    • bestaande bouw: Bepaling vindt plaats volgens NEN 6066. De rookproductie aan de binnenzijde van de gevelvulling heeft geen grotere rookdichtheid dan 10m-1, bepaald overeenkomstig NEN 6066.
    • nieuwbouw: Bepaling vindt plaats volgens NEN-EN 13501-1. De gevelelementen dienen te voldoen aan rookklasse S2. Er is een uitzondering voor 10% van de totale (binnen)oppervlakte aan constructieonderdelen van het bouwwerk dat de eis van rookklasse S2 niet van toepassing is. Ook kunststof kozijnen mogen onder die 10% worden gerekend.
8.2.3 Constructie-eigenschappen

De constructie-eigenschappen die, indien van toepassing (zie Bouwbesluit), beoordeeld worden, zijn:

• weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO). Bepaling vindt plaats volgens NEN 6068. Beoordeeld wordt de tijd    die een brand nodig heeft voor uitbreiding van de ene ruimte naar de andere ruimte.
• brandwerendheid op bezwijken. Bepaling vindt plaats volgens NEN 6069 (experimenteel) of NEN 6081 - 6082 - 6083                 (rekenkundig). Beoordeeld wordt wanneer de dragende functie verloren gaat.
• weerstand tegen rookdoorgang (WRD). Bepaling vindt plaats volgens NEN 6085. Beoordeeld wordt de weerstand tegen                rookdoorgang.

8.2.4 Dakconstructies

Bij dakconstructies, inclusief dakopeningen (dakramen, lichtkappen) worden, indien van toepassing (zie Bouwbesluit), beoordeeld:

• het brandgevaarlijk zijn overeenkomstig NEN 6063;
• brandwerendheid op bezwijken;
• weerstand tegen brandoverslag.

8.2.5 Gebruiksfuncties

De prestatie-eisen die gesteld worden zijn mede afhankelijk van het gebruik van het gebouw of gebouwdeel. In het Bouwbesluit worden de gebouwen met betrekking tot de brandveiligheid ingedeeld in een aantal gebruiksfuncties. Om de voorschriften zo goed mogelijk af te stemmen op het daadwerkelijke gebruik van een gebouw(deel) worden daarbij zo nodig zogenoemde subgebruiksfuncties onderscheiden. Een voorbeeld is een woonfunctie gelegen in een woongebouw of een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang.

8.2.6 Onderscheid nieuwbouw - bestaande bouw

In het Bouwbesluit wordt ook onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw en bestaande bouw. Het niveau van de prestatie-eisen voor bestaande bouw ligt doorgaans lager.
Indien in een ruimtebegrenzing tussen ruimten waaraan WBDBO-eisen worden gesteld kunststof VKG-gevelelementen worden gebruikt en volgens NEN 6068 blijkt dat deze over een bepaalde brandwerendheid moeten beschikken (dat is lang niet altijd het geval), zullen deze VKG-gevelelementen (inclusief hun aansluitingen) volgens NEN 6069 gedurende een voorgeschreven aantal minuten weerstand moeten bieden aan verhitting volgens de standaardbrandkromme, of - indien van toepassing – volgens de gereduceerde standaardbrandkromme, zonder hun functie te verliezen.

8.2.7 Scheidingsconstructies

In NEN 6069 (alsook in NEN-EN 13501-2) zijn vier criteria beschreven waaraan een scheidingsconstructie moet worden getoetst:

a. vlamdichtheid betrokken op afdichting (W);
b. thermische isolatie betrokken op temperatuur (I);
c. thermische isolatie betrokken op warmtestraling (E);
d. bezwijken (R).

Tussen haakjes is aangegeven met welke letter het criterium volgens NEN-EN 13501-2 wordt aangeduid. Het is niet nodig dat elk constructieonderdeel aan alle criteria voldoet.

E - Vlamdichtheid betrokken op afdichting
Het bouwdeel mag geen hete gassen en/of vlammen doorlaten. Er wordt niet meer aan dit criterium voldaan indien:

• er te grote openingen ontstaan (? 25 mm of 6 mm breed en 150 mm lang; 6 mm x 150 mm-eis geldt niet voor onderdorpel van branddeuren en -luiken)
• aan de niet-verhitte zijde gedurende ten minste 10 seconden onafgebroken vlammen zichtbaar zijn
• gedroogde watten aan niet-verhitte zijde ontvlammen

plaatje 8.2.7.1.jpg

I - Thermische isolatie betrokken op temperatuur
Om spontane ontbranding tegen te gaan van materialen die grenzen aan de niet-verhitte zijde van de scheidingsconstructie, mag de temperatuur aan de niet-verhitte zijde niet te hoog oplopen. De grens ligt in dit geval bij 140º C gemiddeld voor het gehele proefstuk en plaatselijk maximaal 180º C.

plaatje 8.2.7.2.jpg

W - Thermische isolatie betrokken op warmtestraling
Dit criterium moet ervoor zorgen dat de (warmte-)energietoevoer aan de niet-verhitte zijde niet te hoog is. Bij een te hoge warmtestraling (hoger dan 15 kW/m2) kunnen materialen spontaan ontbranden, zodat de brand zich op die manier kan voortplanten via scheidingsconstructies.

plaatje 8.2.7.3.jpg

R - Bezwijken
De scheidingsconstructie mag door brand niet te veel vervormen. De constructieonderdelen moeten in de test belast worden volgens gestandaardiseerde brandomstandigheden, de standaardbrandkromme. Een uitzondering wordt gemaakt voor constructieonderdelen die van buiten naar binnen worden belast, zoals gevels, deuren en ramen in deze gevel. In deze gevallen zal de temperatuurbelasting op het constructieonderdeel geringer zijn. Deze constructieonderdelen worden bij de bepaling dan ook belast volgens de gereduceerde standaardbrandkromme. Bij deze kromme loopt de temperatuur maximaal op tot 659º C.
Indien tussen ruimten waaraan WRD-eisen worden gesteld VKG-gevelelementen worden gebruikt, zullen die gevelelementen, inclusief hun aansluitingen, in een bepaalde mate rookwerend moeten zijn. Zij moeten volgens NEN 6075 een voorgeschreven aantal minuten weerstand bieden tegen rookdoorgang.

plaatje 8.2.7.4.jpg

8.2.8 Voorwaarden

Of VKG-gevelelementen moeten voldoen aan prestatie-eisen met betrekking tot de brandveiligheid, en zo ja, aan welke, hangt af van:

• het gebouwtype, dat wil zeggen de gebruiksfunctie;
• de ligging van het gebouw;
• de indeling in brandcompartimenten, rookcompartimenten en vluchtroutes;
• de prestatie-eisen die met betrekking tot de brandveiligheid worden gesteld aan het constructiedeel van het gebouw waarin het element wordt gebruikt;
• de situatie van het element in het constructiedeel;
• de afmetingen van het element;
• de functie van het betreffende element.

8.2.9 Mate van brandwerendheid

De mate waarin VKG-gevelelementen brandwerend zijn, kan op twee manieren worden aangetoond:

a. door het overleggen van een erkende kwaliteitsverklaring, zoals een KOMO-attest. De bepalingsmethoden zijn in het Bouwbesluit vastgelegd
b. de dienst Bouw- en Woningtoezicht (die deze taak meestal delegeert naar de gemeentelijke brandweer) beoordeelt en bepaalt of een gevelelement de ver-eiste brandwerendheid bezit. Zij kan zich baseren op rapporten van brandtesten die zijn uitgevoerd bij een erkend testinstituut/laboratorium (bijvoorbeeld Efectis in Rijswijk). Als de dienst Bouw- en Woningtoezicht de testrapporten uit het verleden vergelijkbaar acht met de daadwerkelijk te leveren gevelelementen, is dat voldoende.


(1). Bij producten waarvoor een CE-markering verplicht is, wordt het gedrag bij brand en de ontwikkeling van rook vastgesteld conform NEN-EN 13501-1. In de Regeling Bouwbesluit is in tabelvorm de relatie aangegeven tussen de Nederlandse klassering en de Europese klassering.

(2). Indien de gevelvulling wordt gebruikt in een al of niet besloten ruimte waardoor een rookvrije vluchtroute (o.a. in de woningbouw) of een brand- en rookvrije vluchtroute (utiliteitsbouw) voert, geldt ten minste klasse 2 van de bijdrage tot brandvoortplanting, bepaald overeenkomstig NEN 6065. Zie ook het Bouwbesluit.

(3). 10% van de oppervlakte in een ruimte is vrijgesteld van de eisen met betrekking tot de brandvoortplanting en de ontwikkeling van rook voor het kunnen gebruiken van plinten, stopcontacten en andere kleine constructieonderdelen, zoals lichtarmaturen en brand- en rookmelders. Ook voor kunststof kozijnen kan van deze uitzondering gebruik worden gemaakt.

(4). Voor besloten ruimten waardoor een rookvrije vluchtroute (o.a. woningbouw) of brand- en rookvrije vluchtroute (utiliteitsbouw) voert, gelden verzwaarde eisen voor de rookdichtheid. Kunststof ramen, kozijnen en gevelelementen kunnen dan alleen worden gebruikt als deze onder de 10%-vrijstelling kunnen vallen.