8.1.1 Brandoverslag

Bij brand kan in principe bij elke gevel met gevelopeningen brandoverslag optreden. Er kan verticale brandoverslag optreden van de brandruimte naar de ruimte die erboven ligt. Bij brand in de onderste ruimte slaan, na het springen van een glasruit, vlammen naar buiten. De grootte van de uitslaande vlammen is van diverse factoren afhankelijk. Bij grote, uitslaande vlammen kunnen door de warmtestraling de ruiten van de bovenliggende ruimte springen en het interieur in brand vliegen. Bij een brandbare gevel kan de brand zich ook via de gevel naar boven uitbreiden.

Brand kan door de straling en/of uitslaande vlammen vanuit de brandende ruimte ook uitbreiden naar naastgelegen ruimten (vooral bij gevels op de plaats van inwendige hoeken) of naar tegenoverliggende ruimten.
Bij brand ontstaan toxische gassen en rook. Dit kan leiden tot:

• vluchtbelemmering en eventueel paniek
• verstikking en/of vergiftiging
• belemmering van bluswerk

Als een gevel vlam vat, springt glas al in een vroeg stadium, en wel bij een temperatuur van circa 150º C. Door de dan uitslaande brand ontstaat langs de gevel een sterke opwaartse luchtstroom, waardoor alle gasvormige verbrandingsproducten van de gevel mee naar buiten worden gezogen.
De brandvoortplanting van kunststof gevelelementen valt volgens NEN 6065 maximaal in klasse 2. Bij sterke verhitting ‘verkorst’ het oppervlak, waardoor het onderliggende materiaal wordt beschermd. Bij vuurverschijnselen ontsnappen niet-brandbare ontledingsgassen. Dit werkt dovend op het vuurverschijnsel.