4 Constructies & Eisen

In dit onderdeel behandelen we de verschillende functionele eisen die worden gesteld aan VKG-gevelelementen. Naast enkele algemene zaken behandelen we de bouwfysische eigenschappen van gevelelementen. Vervolgens komen enkele specifieke eisen van speciale producten aan bod. Voor de opdrachtgever is het van belang dat de VKG-gevelelementen voldoende beschutting bieden tegen weersinvloeden en geluidsoverlast en dat beweegbare delen goed te bedienen zijn. Voor het vaststellen van de toetsingsdruk met betrekking tot de luchtdoorlatendheid en waterdichtheid is de ligging van het gebouw in Nederland bepalend. Voor de luchtdoorlatendheid en waterdichtheid en voor het vaststellen van de winddruk voor het berekenen van de sterkte geldt de indeling volgens NEN-EN 1991-1-4/ NB (Eurocode), ofwel drie windsnelheidsgebieden in bebouwde of onbebouwde situatie (zie figuur 4e). De NEN-EN 1991-1-4 geeft voor windsnelheidsgebied I en II, naast de bekende indeling ‘bebouwd’ en ‘onbebouwd’ een indeling ‘kust’.

Achtereenvolgens komen aan de orde:

• Luchtdoorlatendheid
• Waterdichtheid
• Thermische isolatie
• Geluidwering
• Afwijkende puien
• Ventilatie
• Bediending van sluitwerk
• Elektromagnetisch spectrum
• Constructies
• Instabiliteit
• Stijfheid van de beweegbare delen
• Verbindingen
• Andere materialen dan kunststof
• Geëxtrudeerde profielen
• Maatafwijkingen
• Glaslatten
• Maatvoering en toleranties
• Plaatconstructies
• Maximale kromming kunststof deuren
• Hang- en sluitwerk
• Waterhuishouding
• Geprefabriceerde VKG-gevelelementen
• Leidingen

1. Algemene informatie 
2. Kunststof & vormgeving 
3. Glas & panelen 
4. Constructies & eisen 
5. Montage & bouwplaats 
6. Europese regels 
7. Garantie & voorwaarden 
8. Brandveiligheid 
9. Inbraakveiligheid 
10. Milieuaspecten 
11. Reiniging & onderhoud VKG-leden

kunststof houdt van de toekomst.jpg

 

 

4.1 Luchtdoorlatendheid

De luchtdoorlatendheid van VKG-gevelelementen kan van invloed zijn op het comfort in een ruimte en op de energiezuinigheid van een gebouw. Voor wat betreft het comfort is het van belang dat onder extreme omstandigheden ofwel bij grote luchtdrukverschillen (storm) de gevelelementen niet te veel lucht doorlaten; voor wat betreft de energiezuinigheid is het van belang, dat de luchtdoorlatendheid bij kleine drukverschillen, te weten 10 Pascal, gering is. Een geringe luchtdoorlatendheid bij 10 Pascal heeft immers een positief effect op de grootte van de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC) van een gebouw. Hieronder zal op beide facetten nader worden ingegaan, zowel voor ramen en deuren.

Voor binnenpuien geldt alleen het gestelde onder § 4.7; voor afwijkende puien, zoals winkelpuien en entreepartijen, hardglazen deuren en (automatische) schuifdeuren geldt het onder § 4.5 gestelde.

4.1.1 Ramen en deuren
4.1.1.1 Luchtdoorlatendheid ramen en deuren bij 10 Pascal conform het Bouwbesluit

Het Bouwbesluit stelt uit oogpunt van energiezuinigheid eisen aan de mate van luchttoetreding. Als eis geldt, dat bij een drukverschil van 10 Pa niet meer dan 0,2 m3/s lucht mag toetreden naar het totaal van verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten van een gebruiksfunctie. In dit verband is het dan ook van belang de mate van luchttoetreding te kennen door naden en sluitnaden bij een drukverschil van 10 Pa.

De luchtdoorlatendheid van ramen en deuren wordt bepaald met behulp van een beproeving in een proefkast overeenkomstig NEN-EN 1026. Daarbij wordt de luchtdoorlatendheid in m3/h gemeten bij drukverschillen van 50, 100, 150, 200, 250, 300, 450 en 600 Pascal. Op basis van die gegevens kan door interpolatie de luchtlekkage bij 10 Pa bepaald worden.

Voor ramen en deuren gelden de volgende prestatie-eisen bij een drukverschil van 10 Pa.

• Max. luchtlekkage van naden (rubber en ontmoetingen tussen profielen): 0,1 m3/h per strekkende meter;
• Max. luchtlekkage van sluitnaden: 0,3 m3/h per strekkende meter;
• Max. luchtlekkage van borstelafdichtingen tussen schuivende delen: 1,0 m3/h per strekkende meter.

Om te voorkomen dat bij de toetsingsdrukken volgens NEN 2778 een te grote luchtlekkage kan optreden geldt er een absoluut maximum en zijn er geen grotere luchtverliezen toelaatbaar dan:

• 0,5 m3/h per strekkende meter naad;
• 6,0 m3/h per strekkende meter sluitnaad;
• 9,0 m3/h per strekkende meter borsteldichting;
• Per lengte-eenheid van maximaal 100 mm over de omtrek van een sluitnaad, ter plaatse van scharnieren, is deplaatselijke bijdrage aan de luchtvolumestroom ten hoogste 1,8 m³/h.

De minimale toetsingsdruk waarbij deze eisen gelden bedraagt 150 Pa.
Toelichting: Onder naden wordt verstaan de ontmoeting tussen glas en het kozijn of de glaslat, alsook de ontmoeting tussen het kozijn en de glaslat. Bij buitenbeglazing bedraagt de naadlengte 1x de glasomtrek; bij binnenbeglazing 2x de glasomtrek.

Toelichting: Aangezien het in bepaalde gevallen wenselijk kan zijn om een aanname te doen voor de luchtlekkage van een gevelelement per m2, is in onderstaande tabel per type gevelelement aangegeven welke prestaties aangehouden kunnen worden.

Type Gevelelement Luchtdoorlatendheid in m3/h m2
Vaste delen 1,8
Elementen met beweegbare delen 6,5
Elementen met parallel beweegbare delen voorzien van een borsteldichting 18,5
4.1.1.2 Bepaling luchtdoorlatendheid in het kader van CE-markering

Door de luchtdoorlatendheid, na beproeving conform NEN-EN 1026, per m1 naad en m2 oppervlak grafisch weer te geven kan het beproefde gevelelement worden geklasseerd overeenkomstig klasse 1, 2, 3 of 4 van NEN-EN 12207.

Het beproefde element wordt geklasseerd op basis van het oppervlak en de lengte van de sluitnaad.
- Indien beide in dezelfde klasse vallen: het gevelelement wordt geklasseerd in deze klasse;
- Indien er 1 klasse verschil is: het gevelelement wordt geklasseerd in de beste klasse;
- Indien er 2 klassen verschil is: het gevelelement wordt geklasseerd in de tussenliggende klasse;
- Indien er meer dan 2 klassen verschil is: het gevelelement kan niet geklasseerd worden;

Figuur 4a: Classificatie luchtdoorlatendheid van ramen en deuren volgens NEN-EN 12207.
plaatje 4.1.1.2.jpg

De tussenliggende waarden die tijdens de test worden gemeten kunnen uit figuur 4a afgelezen worden. Het testobject behoort tot een bepaalde klasse als geen enkel testresultaat de bovenste grenswaarde (dikke lijn) overschrijdt van die bepaalde klasse. Er mag van uitgegaan worden, dat ramen en deuren van gangbare afmetingen en voorzien van rubber afdichtingsprofielen (o.a. een middendichting ter plaatse van de sluitnaad) geklasseerd kunnen worden in klasse 4. Voor schuiframen en –deuren voorzien van borsteldichtingen kan uitgegaan worden van klasse 2.

Opmerking: het bovenstaande is niet van toepassing op zogenaamde vaste vakken of vaste beglazing. Er mag van uitgegaan worden, dat de naden in vaste vakken tot een toetsingsdruk van 650 Pa niet meer lucht doorlaten dan 0,5 m3/h per strekkende meter naad.

4.1.2 Luchtdicht bouwen

Indien de toepassing van kozijnen plaatsvindt in een zgn. “luchtdicht bouwen” project kunnen de (private) eisen voor luchtdoorlatendheid (veel) zwaarder zijn dan de zgn. qv;10-waarde in het bouwbesluit. Bijvoorbeeld kan een luchtdichtheidsklasse volgens NEN 2687 worden geëist. Het is van belang daarbij te onderkennen dat het hierbij om een prestatie van de totale gebouwschil gaat. Kunststof kozijnen op zichzelf én de aansluiting op het bouwkundig kader kunnen daaraan een belangrijke bijdrage leveren. Extra maatregelen in de assemblage van de kozijnen kunnen het eindresultaat positief beïnvloeden middels o.a:
 
• Dubbele luchtdichtingen in de draaiende delen.
• Aandacht voor de detaillering van kritische aansluitingen zoals b.v. aansluitingen glaslatten, T-verbindingen e.d.
• Goed knevelende meerpuntssluitingen.
• Eenzijdige afgeschuinde haakschoten
• Nastelbaar hang- en sluitwerk.

Minstens zo belangrijk is vooraf goed stil te staan bij de wijze van monteren van de kunststof kozijnen om en luchtdichte aansluiting te realiseren. Daarbij zijn de volgende aandachtspunten van belang;

• Het ambitieniveau (luchtdichtheidsklasse) voor het project
• Aandacht voor de inbouwdetaillering van kritische aansluitingen
• Bewuste keuzes van (gecertificeerde) afdichtingsmaterialen
• Waar mogelijk de naden/kieren afplakken.
• Waar mogelijk luchtdichtingen prefabriceren.
• Specifieke instructie voor de bouwplaatsmedewerkers.

Om er zeker van te zijn dat het beoogde resultaat in de uitvoering ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd is het aan te bevelen om in deze fase aandacht te besteden aan;

• (Extra) kwaliteitscontroles op de bouwplaats tijdens de uitvoering
• Gerichte controle en(-metingen) na oplevering van de eerste elementen.

Meer informatie over luchtdicht bouwen is o.a. te vinden in het Publicatieblad luchtdichtbouwen van SBRCURnet.

Luchtdichtheidsklassen volgens NEN 2687

luchtdichtheidsklassen volgens NEN 2687.png

 

4.2 Waterdichtheid

De constructie van VKG-gevelelementen moet zodanig zijn, dat het water dat zich in de sponning bevindt niet zodanig kan spatten dat delen nat worden die droog moeten blijven en dat een gecontroleerde afvoer gegarandeerd wordt.

Voor gebouwen met een hoogte van meer dan 150 meter geldt als minimum een toetsingsdruk van 650 Pa. We raden de opdrachtgever aan de gevelelementen vóór productie niet alleen te testen op de wind- en waterdichtheid, maar ook de bouwkundige aansluitingen te testen.

4.2.1 Ramen en deuren

De waterdichtheid van ramen en deuren wordt bepaald met een proef in een proefkast volgens NEN-EN 1027. Tijdens de proef wordt een drukverschil onder waterbelasting over het gevelelement aangebracht, oplopend van 0, 50, 100 tot 150 enz. Pa. Bepalend voor de klassenindeling is de waarde van de toetsingsdruk voorafgaand aan de toetsingsdruk waarbij lekkage optreedt. De resultaten van de proef worden geclassificeerd volgens NEN-EN 12208 (tabel 4b).

Tabel 4b: Classificatie waterdichtheid van ramen en deuren volgens NEN-EN 12208.
plaatje 4.2.1.jpg

4.2.2 Toepassingsgebied

Na de vaststelling van de waterdichtheidsklasse kan met behulp van tabel 2 van NEN 2778 (tabel 4d) vastgesteld worden tot op welke hoogte het gevelelement gebruikt mag worden in de drie verschillende windsnelheidsgebieden.

Tabel 4d. Toetsingsdruk in Pa volgens tabel 2 van NEN 2778, uitgebreid met gebied kust en hoogten boven 150 meter zoals bedoeld in NEN-EN 1991-1-4

(Voor hoge gebouwen, gebouwen met afwijkende vormgeving en voor gebouwen op een kritische locatie wordt de opdrachtgever aanbevolen om een windtunnelonderzoek uit te laten voeren)

plaatje 4.2.2.jpg

De testmethoden kunnen ook gebruikt worden voor het bepalen van de waterdichtheid van andere gevelelementen dan ramen, deuren en vliesgevels.

We raden opdrachtgevers aan een windtunnelonderzoek te laten uitvoeren voor hoge gebouwen, gebouwen met een afwijkende vormgeving en voor gebouwen op een kritische locatie. Zie voor indeling in wind¬snelheidsgebieden en het bepalen van het type omgeving NEN-EN 1991-1-4/NB (figuur 4b).

De minimale toetsingsdruk waarbij VKG-gevelelementen waterdicht dienen te zijn bedraagt 150 Pa.

4.3 Thermische isolatie

Met kunststof profielen, isolatieglas, isolerende panelen, etc. kun je het warmteverlies aanzienlijk beperken.

Het Bouwbesluit stelt dat een uitwendige scheidingsconstructie overeenkomstig NEN 1068 een Rc-waarde moet hebben van ten minste 4,5 m2 K/W. Voor woonwagenfunctie blijft de eis 2,5 m2 K/W. Deze eisen gelden niet voor een deur, raam, kozijn en een daarmee gelijk te stellen gevelelement. Hiervoor geldt de eis in het Bouwbesluit dat per 1 januari 2015 de warmtedoorgangscoëfficiënt (U-waarde) bepaald volgens NEN 1068 ten hoogste 2,2 W/(m2/K) is met een gemiddelde U-waarde van alle ramen, deuren en dergelijke in het bouwwerk van maximaal 1,65 W/(m²K). De warmtedoorgangscoëfficiënt van een raam of deur is afhankelijk van het type profiel en het type glas inclusief de randverbinding van het glas.

4.3.1 Algemeen

Kunststof isoleert de warmte bijzonder goed (l = 0,19 W/mK). Condensvorming zal dan ook slechts onder extreme omstandigheden optreden, zoals bij zeer hoge relatieve vochtigheid en een groot temperatuurverschil tussen binnen en buiten. Zie ook § 4.3.5. Verder maakt het verschil of de profielen al dan niet zijn versterkt met een metalen koker. Meerkamerprofielen isoleren zeer goed. Pvc is ook een goede isolator van elektriciteit.

Ter voorkoming van condensatie mag, wanneer bij isolerend dubbel glas een ventilatierooster rechtstreeks boven het glas wordt geplaatst, alleen een thermisch geïsoleerd rooster worden gebruikt.

4.3.2 Gemiddelde warmtedoorgangscoëfficiënten

De warmtedoorgangscoëfficiënt van kunststof gevelelementen met glas (Uw- of UD-waarde) is met name van belang bij het maken van energieprestatieberekeningen. De Uw- of UD-waarde wordt bepaald volgens paragraaf 7.2.3 van NEN 1068. In NPR 2068 is een tabel opgenomen met warmtedoorgangscoëfficiënten van ramen bij verschillende waarden voor de warmtedoorgangscoëfficiënt van het glas (Ugl) en drie typen kozijnen. Daarbij wordt voor de warmtedoorgangscoëfficiënt van kozijnen van hout of kunststof uitgegaan van een forfaitaire U-waarde van 2,4 W/(m2 K).

Uit onafhankelijke tests blijkt dat de U-waarden van kunststof kozijnprofielen (Uf, komt overeen met Ufr in NEN 1068;2001) aanzienlijk lager zijn dan de forfaitaire waarde van 2,4 W/m2 K die in de praktijk meestal wordt gebruikt en die gebaseerd is op NPR 2068;2002. De U-waarde voor de meeste standaardprofielen bedraagt 1,4 W/m2 K.

Als alternatief kun je een berekening maken op basis van gemiddelde waarden voor de oppervlakte en de omtrek van het element. De Uw- of UD-waarde is dan alleen afhankelijk van de U-waarde voor het glas (Ugl), de U-waarde voor het kunststof gevelelement (Ufr) en de lineaire warmtedoorgangscoëfficiënt van de combinatie glas, afstandhouder en kozijn (Ygl).

Bij deze enigszins vereenvoudigde methode behoeft niet per afzonderlijk gevelelement een aparte berekening voor de Uw- of UD-waarde te worden gemaakt.

Tabel 4f. Rekenwaarde warmtedoorgangscoëfficiënten van kunststof gevelelementen met glas; U in W/(m2 K)

plaatje 4.3.2.jpg

4.3.3 Absolute vochtigheid

Lucht kan een beperkte hoeveelheid waterdamp bevatten. De maximale hoeveelheid waterdamp bij atmosferische druk die in de lucht aanwezig kan zijn is afhankelijk van de temperatuur.

4.3.4 Relatieve vochtigheid

De relatieve vochtigheid is de verhouding tussen de hoeveelheid waterdamp die de lucht bij een zekere temperatuur werkelijk bevat en de maximale hoeveelheid waterdamp die de lucht bij die temperatuur kan bevatten.

Relatieve vochtigheid (RV) = aanwezige vochtigheid/ maximumvochtgewicht x 100%.

De UW- of UD-waarde voor de invoer in de EPC-berekening kan worden afgelezen uit tabel 4f hierboven.

Kies Ugl in W/(m2 K)   - de wamtedoorgangscoëfficiënt van het glas is afhankelijk van het soort beglazing, emis­siecoëfficiënt, spouwbreedte en spouwvulling;

Kies Ufr in W/(m2 K)   - de warmtedoorgangscoëfficiënt van het kunststof gevelelement is afhankelijk van het type profiel; deze moet kunnen worden onderbouwd met een testrapport of erkende kwaliteitsverklaring, aan te leveren via de desbetreffende leverancier;

Bepaal UW of UD in W/(m2 K)   - uit de tabel kan voor het totale gevelelement de Uw-waarde (voor kozijnen) of de UD-waarde (voor glasdeuren) van het totale gevelelement worden afgelezen op twee decimalen. Bij het samenstellen van de tabel is uitgegaan van glas met aluminium afstandhouders

4.3.5 Condensatie

Hoe hoger de temperatuur van lucht, des te meer waterdamp kan worden opgenomen. Onder normale omstandigheden is er in een gebouw minder waterdamp in de lucht opgenomen dan mogelijk is. Dit is vooral het geval als er een centrale verwarmingsinstallatie is. De relatieve vochtigheid kan dan zelfs onaangenaam laag worden. Als lucht afkoel, vermindert de opnamecapaciteit voor waterdamp. Als de lucht koud genoeg wordt, zal op een bepaald ogenblik het dauwpunt zijn bereikt. De lucht is dan verzadigd met waterdamp. Een verdere afkoeling heeft tot gevolg dat er condensatie optreedt en de damp vloeistof wordt. Het vocht zal zich als condens het eerst op de koudste vlakken afzetten.

4.3.6 Infrarood thermogratieën

Tegenwoordig worden in de praktijk steeds vaker infrarood thermografieën (IR-foto’s) gebruikt om warmtelekken van gevels te beoordelen. Deze methode is echter een kwalitatieve testmethode voor het opsporen van temperatuurverschillen in de gebouwschil en dient niet om de isolatiewaarde of de luchtdichtheid van een gevel of bouwwerk te bepalen. Hiervoor zijn andere onderzoeksmethoden noodzakelijk.

4.4 Geluidwering

De werkelijke geluidwering van een gevelelement kan alleen zuiver worden vastgesteld door meting. In het ontwerpstadium kun je de mate van de verwachte geluidwering uitsluitend door berekening bepalen. Bij de verschillende geveltypen uit
§ 1.8.2 gelden voornamelijk de volgende aandachtspunten met betrekking tot geluidsoverdracht:

a. Vliesgevel:

• Geluidsisolatie buiten – binnen
• Geluidtransport via stijlen (contact- en luchtgeluid)
• Geluidtransport via regels (contact- en luchtgeluid)
• Aansluiting tussen gevel en plafond (luchtgeluid)
• Aansluiting tussen gevel en wand (luchtgeluid)

a. Horizontale raamstrook:

• Geluidsisolatie buiten – binnen
• Geluidtransport via regels (contact- en luchtgeluid)
• Aansluiting tussen gevel en wand (luchtgeluid)

a. Verticale raamstrook:

• Geluidsisolatie buiten – binnen
• Geluidtransport via stijlen (contact- en luchtgeluid)
• Aansluiting tussen gevel en plafond (luchtgeluid)

a. Pui:

• Geluidsisolatie buiten – binnen

Buitengevels

Gevelelementen in de buitengevel leveren al snel een geluidsisolatie van 26 dB(A), mits de beweegbare delen rondom aansluiten tegen een dichtingsrubber. Omdat bij deuren meestal de onderzijde niet afgedicht wordt, is deze geluidsisolatie bij deuren meestal niet te bereiken. Daar zal de geluidsisolatie circa 20 dB(A) zijn.
Het Bouwbesluit stelt als eis dat een uitwendige scheidingsconstructie in gesloten toestand een geluidwering van minimaal 20 dB(A) op moet leveren. Afhankelijk van de geluidsbelasting en de soort binnenruimte kan deze eis hoger liggen. Dus om aan de eisen van het Bouwbesluit te kunnen voldoen dient de opdrachtgever de VKG-gevelelementenfabrikant nauwkeurig te informeren over de eisen voor de geluidsisolatie van het te leveren gevelelement.

Een VKG-gevelelement, mits voorzien van een rondomlopend kader en zonder ventilatierooster(s) en dergelijke, heeft in gesloten toestand een geluidwering van minimaal 23 dB(A).

Bij VKG-gevelelementen met uitstekende delen, zoals waterslagen of lightshelves, dient extra aandacht besteed te worden aan contactgeluidisolatie. Hinderlijke windgeluiden kunnen ontstaan door het gebruik van roosters, scherpe hoeken en holle profielen in gevelelementen. Dit kan de VKG-gevelelementenfabrikant niet voorzien. Als deze vorm van geluidhinder optreedt, dient achteraf beoordeeld te worden hoe dit door de opdrachtgever verholpen kan worden.

4.4.1 Bepaling geluidwering

De werkelijke geluidwering van een gevelelement kan alleen zuiver worden vastgesteld door meting. In het ontwerpstadium kun je de verwachte geluidwering echter uitsluitend door berekening bepalen.

In het kader van CE-markering voor ramen en deuren geeft Bijlage B van de zogenoemde Productnorm NEN-EN 14351-1 voor ramen en buitendeuren hiervoor een goede en eenvoudige mogelijkheid. Uitgangspunten voor het mogen/kunnen toepassen van Bijlage B met bijbehorende tabellen B.1, B.2 en B.3 zijn:

• de tabellen zijn alleen van toepassing bij gebruik van isolerend dubbelglas en de geluidwerende eigenschappen uitgedrukt in Rw (C; Ctr/m2 K) van het isolerende dubbelglas dienen bekend te zijn. Hierin is Rw de globale geluidwering tegen luchtverkeerslawaai van het isolerende dubbelglas, terwijl C en Ctr correctiefactoren zijn voor geluid met relatief hoge frequenties (bijvoorbeeld snelwegverkeer en treinverkeer), respectievelijk voor geluid met relatief lage frequenties (bijvoorbeeld stadsverkeer).

Zo heeft isolerend dubbelglas 6-12-8 een geluidsisolatie Rw(C;Ctr) van 35(-2; -5) dB, ofwel 33 dB, namelijk 35-2 tegen hoogfrequent geluid en 30 dB, namelijk 35-5 tegen laagfrequent geluid.

De geluidwerende eigenschappen kunnen overeenkomstig NEN-EN-ISO 10140-1 t/m 10140-5 in een laboratorium worden gemeten. Het proefstuk waarop de metingen dienen plaats te vinden heeft een afmeting van 1,23 x 1,48 = 1,82 m2.

a. Beproeving volgens NEN-EN-ISO 10140-1 t/m 10140-5 of gegevens volgens NEN-EN 12758 of NEN-EN 12354-3.

b. Vaste en of te openen ramen die voldoen aan ten minste luchtdoorlatendheidsklasse 3 (Klasse 3 van NEN-EN 12207 t.b.v. CE-markering).

c. Schuiframen die voldoen aan ten minste luchtdoorlatendheidsklasse 2 (Klasse 2 van NEN-EN 12207 t.b.v. CE-markering).

d. Aantal dichtingen voor ramen, die geopend kunnen worden.

Bepaling van de geluidsisolatie Rw(C;Ctr) van een raam op basis van bekende geluidwerende eigenschappen van het isolerende dubbelglas in het raam:

a. Rw van het raam kan bepaald worden uit de bekende waarde van Rw van het isolerende dubbelglas; zie tabel B.1.

b. Rw + Ctr.Kvan het raam kan bepaald worden uit de bekende waarde van Rw +Ctr van het isolerende dubbelglas; zie tabel B.2.

c. De waarde van C van het raam bedraagt in alle gevallen -1 dB.

d. Ctr is nu eenvoudig te berekenen door de waarde Rw van het raam (tabel 1) af te trekken van de waarde Rw + Ctr (tabel B.2) van het raam.

De waarde van Rw+ Ctr van het isolerende dubbelglas als weergegeven in tabel B.2 is normaliter overeenkomstig NEN-EN-ISO 10140-1 t/m 10140-5 gebaseerd op een glasafmeting van 1,23 x 1,48 = 1,82 m2. Bij gebruik van isolerend dubbelglas in ramen van andere afmetingen kan gebruik worden gemaakt van tabel B.3. Uit deze gegevens blijkt, dat de geluidsisolatie van een raam afneemt naarmate de afmeting van het raam toeneemt.

plaatje 4.4.1.1.jpg

plaatje 4.4.1.2.jpg

plaatje 4.4.1.3.jpg

 

Voorbeeld:

Bereken de geluidsisolatie Rw(C;Ctr) van een draai-valraam met enkele dichting. Het draai-valraam heeft een afmeting van 1250 x 1600 mm (= 2,0 m2) en is voorzien van isolerend dubbelglas met een geluidisolatie van Rw (C;Ctr) = 30 (-1; -4).

Met een Rw  van het isolerende dubbelglas van 30 dB bedraagt overeenkomstig tabel B.1 de geluidsisolatie van het draai-valraam: 33 dB. Met een Ctr van – 4 dB van het isolerende dubbelglas bedraagt de waarde van Rw+ Ctr van het isolerende dub­belglas dus 26 dB. De bijbehorende waarde van Rw+ Ctr  van het draai-valraam overeenkomstig tabel B.2 bedraagt 28 dB.

Dit betekent dat Ctr van het draai-valraam – 5 dB bedraagt, namelijk 28 dB – 33 dB. Met een standaardwaarde van C = -1 voor het draai-valraam bedraagt de geluidsisolatie Rw(C;Ctr) van het draai-valraam 33 (-1; -5). Correctie in verband met de oppervlakte is niet noodzakelijk. De oppervlakte bedraagt namelijk 2,0 m2, ofwel < 2,7 m2; zie ook tabel B.3.

4.5 Afwijkende puien

Voor winkelpuien en entreepartijen worden veelal hardglazen deuren, (automatische) schuifdeuren, (hef)schuifdeuren en schuifwanden gebruikt. Door de aard van dergelijke constructies is het veelal niet zonder bijzondere voorzieningen mogelijk de sluitnaden zodanig uit te voeren, dat ze voldoen aan de normale luchtdoorlatendheid- en waterdichtheidseisen als vermeld in § 4.1 en § 4.2.

Bij toepassing van dergelijke constructies dient het onderstaande in acht te worden genomen:

• in gesloten stand mogen kieren niet groter zijn dan 10 mm;

• de opdrachtgever dient aanvullende bouwkundige voorzieningen te treffen in verband met de eis uit het Bouwbesluit “wering van vocht van buiten”.

Bouwkundige voorzieningen kunnen zijn het aanbrengen van:

• een luifelconstructie van voldoende grootte, zodat regenwater onder een hoek van 45° het beweegbare deel niet kan raken en stuwing van water wordt tegengegaan;

• een tochtportaal;

• een gootconstructie in de vloer, zodat eventueel naar binnen dringend regenwater effectief afgevoerd kan worden;

• tochtborstels.

Stuwing van water kan worden tegengegaan door installatietechnische maatregelen te treffen, bijvoorbeeld door het creëren van permanente overdruk in de binnenruimte.

Bij gebruik van ventilatieroosters dient rekening gehouden te worden met hoge windsnelheden.

4.6 Ventilatie

Veelal wordt de toevoer van de noodzakelijke verse buitenlucht in utiliteitsgebouwen verzorgd door het ventilatiesysteem dat deel uitmaakt van het verwarmingssysteem. In woningen ontbreekt meestal een actief ventilatiesysteem. Daar moet dan geventileerd worden door openingen in de buitengevel, zoals roosters en ramen.

De benodigde ventilatie moet worden bepaald volgens NEN 1087 en voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit.
De eisen die aan ventilatie worden gesteld hebben onder andere betrekking op:

• de ventilatiecapaciteit, ofwel de hoeveelheid buitenlucht die toetreedt bij een drukverschil van 1 Pa;
• de geluiddemping in geopende stand;
• de regelbaarheid;
• de luchtdichtheid in gestolen stand;
• de mogelijkheid tot schoonmaken van binnenuit.

Voorts dient de ventilatievoorziening waterdicht te zijn tot een toetsingsdruk overeenkomstig NEN 2778 in gesloten stand.

De luchtsnelheid van de toegetreden buitenlucht dient bij een luchtdrukverschil van 10 Pa lager te zijn dan 0,20 m/s op een afstand van 1 m van de gevel. Ventilatievoorzieningen geplaatst boven 1,8 m vloerhoogte moeten hieraan voldoen. Deze eis heeft te maken met comfort.

Aangezien de VKG-gevelelementenfabrikant onvoldoende inzicht heeft in de geluidsbelasting op de gevel (bepalend voor de vereiste mate van geluiddemping van het rooster) en de grootte van het verblijfsgebied (bepalend voor de mate van de ventilatiecapaciteit) dient de opdrachtgever de vereiste geluiddemping en de ventilatiecapaciteit bij de aanvraag op te geven.
Nadat alle eisen waaraan het ventilatierooster moet voldoen bekend zijn, kan het juiste rooster worden geselecteerd aan de hand van de KOMO-kwaliteitsverklaringen op basis van BRL 5701. In deze KOMO-kwaliteitsverklaringen verstrekken fabrikanten van ventilatieroosters een opgave van de prestaties die de diverse typen en uitvoeringen leveren. De oppervlaktebehandeling van aluminium ventilatieroosters moet voldoen aan de eisen van het Qualicoat- (moffelen) of Qualanod-keurmerk (anodiseren).

Bij het gebruik van ventilatieroosters moet rekening gehouden worden met hoge windsnelheden.

4.7 Bediening van sluitwerk

Om de bedieningskrachten van ramen en deuren te bepalen dienen tests uitgevoerd worden conform NEN-EN 12046-1 (ramen) en NEN-EN 12046-2 (deuren). De resultaten uit de tests kunnen geclassificeerd worden volgens NEN-EN 13115 (ramen) of NEN-EN 12217 (deuren).

In onderstaande tabellen is de wijze van classificeren weergegeven. Genoemde klassen worden op het CE-document weergegeven.

VKG-gevelelementen dienen minimaal te voldoen aan klasse 1 volgens EN 13115 voor ramen en klasse 1 volgens EN 12217 voor deuren.

Schuifdeuren mogen voldoen aan klasse 0, met een maximale bedieningskracht van 150N.

Tabel 4g. Classificatie van ramen volgens NEN-EN 13115

plaatje 4.7.1.jpg

Tabel 4h. Classificatie van deuren volgens NEN-EN 12217

plaatje 4.7.2.jpg

Verklaring: handbediend = greep ; vingerbediend = sleutel

4.8 Constructies
4.8.1 Algemeen

In dit onderdeel worden eisen gesteld aan en adviezen gegeven over de constructieve eigenschappen van VKG-gevelelementen. Aan bod komen:

• sterkte- en stijfheidseigenschappen,
• andere materialen dan kunststof,
• toleranties van verscheidene constructies,
• hang-en-sluitwerk en
• waterhuishouding.

Voor het beperken van de spanningen in het glas en voor het in goede staat houden van de glasrandverbindingen worden in geval van isolerende beglazing eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare doorbuiging van de kunststof profielen die het glas ondersteunen. Deze eisen gelden ook als voor de vakvulling panelen worden gebruikt. Het spreekt voor zich, dat de stijfheid van raamprofielen afgestemd moet worden op de beperkingen die het gebruik van glas inhouden. Deze beperkingen volgen onder andere uit de bepalingen in NEN 2608, waarin eisen aan glas zijn gesteld met betrekking tot onder meer de weerstand tegen windbelasting.

Voor constructieberekeningen worden alleen Eurocodes (NEN-EN 1990 t/m NEN-EN 1999) gebruikt. Het is van belang deze normen steeds inclusief de Nationale Bijlage (NB) te raadplegen.

4.8.2 Sterkte

Voor de constructieberekeningen moet de opdrachtgever de volgende gegevens verstrekken:

• de ligging in verband met het vaststellen van het windgebied;
• bebouwd of onbebouwd gebied;
• gebouwhoogte;
• gebruiksfunctie (bijvoorbeeld woonfunctie, kantoorfunctie);
• situatie t.o.v. eventuele nabijgelegen hoge gebouwen;
• situatie in relatie met hoogteverschillen in het omringende terrein;
• eventuele bijzondere belastingen.

De belangrijkste belastingen zijn:

• winddruk
• windzuiging 
• eigen gewicht van de gevelvulling.

Gevelelementen zijn niet-dragende constructies en mogen dus niet worden belast door de omringende bouwkundige constructie.

Voor het berekenen van de sterkte van de gevelelementen gaan we voor het bepalen van de windbelasting uit van de waarden van de stuwdruk uit tabel NB.4 van NEN-EN 1991-1-4 (NB). Deze stuwdrukken dienen te worden vermenigvuldigd met diverse factoren, overeenkomstig NEN-EN 1991-1-4 (NB). Ook de verankeringen van VKG-gevelelementen moeten sterk genoeg zijn om de optredende belastingen volgens NEN-EN 1990 en 1991 aan te kunnen.

Voor gevelelementen (stijlen & regels) kan in het alge­meen worden uitgegaan van gevolgklasse CC1 volgens NEN-EN 1990 (NB). Dit betekent dat voor sterkte gerekend kan worden met de belastingfactoren:

  • Yg = 0,9 x 1,35 = 1,20
  • yq = 0,9 x 1,50 = 1,35

Behalve tegen de windbelasting dient het gevelelement bestand te zijn tegen horizontale belastingen door personen en meubilair. Dit geldt voor die gevallen waarin het gevelelement ook als kering moet functioneren, waarbij de hoogte tussen de niveaus aan weerszijden groter is dan 1,0 m. In 6.4 van NEN-EN1991-1-1 (NB) wordt hiervoor verwezen naar de bijbehorende bijlagen NB.a en NB.B. Dit zijn een lijnbelasting, puntlast en stootbelasting. Voor de grootte en plaats van de punt- en lijnlast zie bijlage NB.6 in bijlage NB.A. Om een eenvoudige berekening van de stijlen en regels te krijgen, zijn deze lijnbelasting, puntlast en stootbelasting vervangen door een minimum gelijkmatig verdeelde belasting van 1 kN/m2 (rekenwaarde).

De controle op sterkte bij deze belastingen volgens 6.4 van NEN-EN1991-1-1 (NB) is dus niet noodzakelijk, mits gerekend is met deze gelijkmatig verdeelde belasting van 1 kN/m2. Het glas dient uiteraard wel te worden gecontroleerd bij de belastingen volgens 6.4 van NEN-EN1991-1-1 (NB). Voor binnenpuien dient een minimale belasting aangehouden te worden van 0,2 kN/m2. Als binnenpuien dienstdoen als kering, moet echter worden gerekend met bovengenoemde gelijkmatig verdeelde belasting van 1 kN/m2.

Behalve door deze belastingen kunnen gevelelementen ook worden belast door glazenwasinstallaties, zonweringen e.d.

De opdrachtgever verschaft vooraf de plaats en grootte van eventuele bijkomende belastingen. Het gevelelement mag niet bezwijken onder de windlast, het eigen gewicht en/of eventuele andere belastingen. De sterktecontrole kan eventueel langs proefondervindelijke weg plaatsvinden. In NEN-EN 12211 is hiervoor een beproevingsmethode vastgesteld. De vereiste beproevingsdruk moet gelijk zijn aan de berekende waarde volgens NEN-EN 1991-1-4 (NB).

4.8.2.1 Horizontale doorbuiging

Stijlen en regels in VKG-gevelelementen mogen bij de hierna bepaalde windbelasting (“frequente combinatie”) op geen enkel punt van hun overspannende lengte meer doorbuiging (u) vertonen dan:

  • lengte L ? 3,0 m : u ? 0,005 (=1/200) x L
  • 3,0 m < L ? 7,5 m : u ? 5 + L/300
  • L > 7,5 m : u ? L /250.
4.8.2.2 Verticale doorbuiging

Regels mogen ten gevolge van het totaal van de verticale belastingen, veroorzaakt door eigen gewicht, het gewicht van glas en/of van andere vakvullingen, in het verticale vlak niet meer doorbuigen dan 2 mm.

plaatje 4.8.2.2..jpg

4.8.2.3 Windbelasting

De te berekenen windbelasting om tot ver\antwoorde profielen te komen, moet bepaald worden overeenkomstig NEN-EN 1991-1-4 (NB). Voor de berekening op sterkte (alleen wind) in de uiterste grenstoestand (UGT) is deze:

qd= yqx qp x cp

waarin: 

• yq : 1,35 (belastingfactor, CC1)
• qp : is de extreme stuwdruk bij de betreffende referentiehoogte, zie tabel NB.4;
• cp : is de drukcoëfficiënt voor de gecombineerde in- en uitwendige druk, bepaald volgens hoofdstuk 7.2, in het bijzonder 7.2.2 en 7.2.9, van NEN-EN 1991-1-4 (NB)

Voor de berekening van de doorbuiging, kan worden uitgegaan van de frequente combinatie in de bruikbaarheidsgrenstoestand (BGT). Bij de elastische doorbuiging van gevelelementen is immers sprake van een omkeerbare situatie, waarbij geen blijvende vervormingen optreden:

q = ψ1 x qp x cp = 2/3 x qd

waarin:
• ψ1 : 0,90 (factor behorende bij een terugkeertijd van 12,5 jaar)?

De extreme stuwdruk is afhankelijk van:

• het windgebied (zie figuren NB.1 en NB.4)
• een al dan niet bebouwde omgeving
• de referentiehoogte ze van het (beschouwde onderdeel van het) gebouw.

Voor de bepaling van de referentiehoogte moet worden uitgegaan van 7.2.2 van NEN-EN 1991-1-4 (NB).
In incidentele gevallen moet de extreme stuwdruk als gevolg van lokale effecten worden verhoogd.
Dit is het geval bij:

• nabijgelegen (hoge) bouwwerken, zie hiervoor bijlage A.4 van NEN-EN 1991-1-4 (NB)
• hoogteverschillen in het omringende terrein, denk aan solitaire heuvels en steile taluds. Dit wordt berekend met de orografiefactor c0, zie hiervoor bijlage A.3 van NEN-EN 1991-1-4 (NB).

De VKG heeft de volgende aanvullende eisen gesteld:

• bij gevelelementen met beweegbare elementen geldt als ondergrens een belasting van 0,5 kN/m2;
• voor binnenpuien zonder beweegbare delen moet een minimale belasting aangehouden worden volgens artikel 7.2.9 van NEN-EN 1991-1-4 (NB) met een absoluut minimum van 0,2 kN/m2.

Voor meer informatie over sterkte- en stijfheidsberekeningen zie NEN-EN 1990/1991/1993/1999 (NB).

Windgebieden:

plaatje 4.8.2.3.1.jpg

Tabel 4i: Stuwdrukwaarde volgens tabel NB.4 van NEN-EN 1991-1-4:2005/NB:2007 (informatief). Voor hoge gebouwen, gebouwen met een afwijkende vormgeving en voor gebouwen op een kritische locatie raden we de opdrachtgever aan een windtunnelonderzoek te laten uitvoeren.

plaatje 4.8.2.3.2.jpg

4.8.2.4 Controle op doorbuiging

De controle op stijfheid kan langs proefondervindelijke weg worden uitgevoerd. In NEN 3660 is hiervoor een meetopstelling beschreven. De vereiste beproevingsdruk moet minstens gelijk zijn aan de berekende waarde volgens § 4.8.2.3. De constructie dient te voldoen aan de stijfheidseisen van § 4.8.2.1. In het ontwerpstadium kan controle op de doorbuiging echter alleen plaatsvinden langs rekenkundige weg.

4.8.2.5 Windtunnelonderzoek

Voor hoge gebouwen, gebouwen met een afwijkende vormgeving en gebouwen op een kritische locatie raden we de opdrachtgever aan een windtunnelonderzoek te laten uitvoeren. Daarmee zijn de gebouwspecifieke waarden voor de windbelasting te bepalen. Aanbevolen wordt om bij de uitvoering en de analyse van het windtunnelonderzoek “CUR Aanbeveling 103” aan te houden.

4.9 Stijfheid van de beweegbare delen

Voor de doorbuiging van beweegbare delen gelden ook de eisen van § 4.8.2.1 en § 4.8.2.2.
Tevens geldt de eis dat de profielen van beweegbare delen voldoende stijf moeten zijn om de wind- en waterdichtheid te garanderen. Het aantal scharnieren en sluitpunten hangt onder andere af van:

• de afmetingen van het beweegbare deel;
• de winddruk op het beweegbare deel;
• de stijfheid van de profielen;
• de stijfheid van de ruit;
• de hardheid van de dichtingsprofielen;
• de constructie van het beweegbaar deel (naar binnen of naar buiten draaiend);
• het gebruiksdoel;
• de voorschriften van de profielleverancier.

4.10 Verbindingen

De sterkte van uit kunststof profielen samengestelde hoek-, T- en kruisverbindingen moet zodanig zijn, dat optredende krachten opgenomen kunnen worden zonder dat er blijvende vervorming ontstaat. Deze krachten kunnen ontstaan door:

• wind (-druk en -zuiging);
• eigen gewicht;
• bedieningskrachten.

4.10.1 Gelaste verbindingen

De methode van het verbinden van kunststof profielen tot een VKG-gevelelement gebeurt meestal door middel van lassen op daartoe speciaal ontwikkelde machines.

De gezaagde profielen worden tegen een zogenoemde lasspiegel gedrukt, die in zeer korte tijd, aan de te lassen vlakken een temperatuur geeft van 230 à 250° C. Na het automatisch verwijderen van de spiegel worden de aan elkaar te lassen profielen in plastische toestand onder druk aan elkaar verbonden.

Bij gelaste verbindingen maken we onderscheid tussen volledig gelaste verbindingen en gedeeltelijk gelaste verbindingen. Bij volledig gelaste verbindingen is de afwerking van de lasril zichtbaar (zie de figuren 4b t/m 4c). In NPR 7058 zijn richtlijnen voor het lassen vastgelegd. De afwerking van de ontstane lasril kan op diverse wijzen geschieden.

Figuur 4b: Kunststof knijplas
plaatje 4.10.1.1.jpg

In een zogenoemde knijplasmachine wordt vlak boven het profieloppervlak de las sterk ingeknepen. Het deel van de lasril boven deze insnoering kan nu eenvoudig worden afgestoken. Er blijft dan een kleine lasril van 0,1 à 0,2 mm op het materiaal achter.

Figuur 4c: Kunststof gegroefde las
plaatje 4.10.1.2.jpg

Kan machinaal een groefje worden aangebracht, nadat eerst de lasril tot ± 2 mm is samengeknepen. De groef mag niet dieper zijn dan 0,5 mm.

Figuur 4d: Kunststof afgestoken las
plaatje 4.10.1.3.jpg

De lasril wordt mechanisch aan de bovenzijde begrensd tot ± 0,5 mm. Hierna wordt deze lasril afgestoken tot circa 0,5 mm boven het profieloppervlak.

Figuur 4e: Kunststof gepolijste las
plaatje 4.10.1.4.jpg

De las kan worden geslepen en daarna worden gepolijst. Er ontstaat dan een glad oppervlak.
Bij gedeeltelijk gelaste verbindingen is bij het kozijn een horizontale naad zichtbaar en bij een raam een verticale naad (zie figuur 4f).

Figuur 4f: Gedeeltelijk gelaste verbinding

Kozijn draaiend.jpg

De sterkte van een lasverbinding is afhankelijk van onder andere de wanddikte en profielvorm. De profielfabrikanten verstrekken aan de VKG-gevelelementenfabrikanten van elk te lassen hoofdprofiel de minimumhoeksterkte-waarden voor de gelaste hoeken.

De sterkte van de afgewerkte lassen van de profielen moet voldoen aan EN 514.
Als waarde voor de minimum breukspanning is 35 N/mm2 gekozen.


Figuur 4g: Principe van lasbeproeving

plaatje 4.10.1.6.jpg

De beproeving van de lassen behoort te worden uitgevoerd op een beproevingsapparaat waarvan het principe in figuur 5f is aangegeven. De druksnelheid dient ± 50 mm/minuut te bedragen. Dit geldt voor zowel de VKG-gevelelementenfabrikant als de systeemleverancier. De beproevingen moeten worden uitgevoerd bij een temperatuur van 23 ± 5°C conform EN 514.

4.10.2 Gedeeltelijk gelaste verbindingen

Bij gelaste profielontmoetingen dienen de verstekken en T-verbindingen zodanig (ge)dicht te zijn, dat blijvend voldaan is aan eisen van luchtdoorlatendheid en waterdichtheid van het gevelelement.

Bij in de fabriek samengestelde VKG-gevelelementen mag de ongelijkheid van profielontmoetingen, gemeten in het vlak van de pui, bij versteknaden en T-verbindingen niet meer bedragen dan 0,8 mm.

Ten gevolge van profieltoleranties is het niet in alle gevallen mogelijk aan de eisen voor de ongelijkheid van profielontmoetingen te voldoen.

De naden aan de zichtzijden mogen niet groter zijn dan 0,8 mm.

4.10.3 Mechanische verbindingen
4.10.3.1 Mechanische verbindingen tussen kunststof profielen onderling

Naast de omschreven wijze van gelaste verbindingen kun je de kunststof profielen ook mechanisch (geschroefd) verbinden. Bij de mechanische verbindingen wordt geen gebruik gemaakt van het unieke thermoplastische karakter van pvc: de 100% naadloze materiaalverbinding. Daardoor heeft de gelaste verbinding de voorkeur. Maar er kunnen praktische argumenten zijn om bewust te kiezen voor mechanische verbindingen:

• bij gekleurde profielen voorkomt de mechanische verbinding in enkele gevallen een kleuronderbreking;
• gelaste verbindingen zijn niet altijd esthetisch aanvaardbaar;
• in bepaalde situaties is een gelaste verbinding technisch niet altijd haalbaar.

Ook de mechanische verbinding heeft een ontwikkelingsproces doorgemaakt. De kwaliteit is de laatste jaren sterk verbeterd. Voor kunststof VKG-gevelelementen voorzien van mechanische verbindingen gelden onverkort de eisen en beproevingsmethoden die ook gelden voor elementen voorzien van gelaste verbindingen, terwijl de eisen gesteld aan mechanische verbindingen ook van toepassing zijn voor gelaste verbindingen. De meeste profielfabrikanten hebben bij de ontwikkeling van de mechanische verbindingen eigen voorschriften opgesteld. Het is van groot belang dat deze worden opgevolgd.
Veelal leveren de profielfabrikanten speciale hulpstukken voor de mechanische verbinding, zoals kunststof en metalen gecontramalde eindstukken. Het is ook mogelijk de kunststof profielen rechtstreeks machinaal te contramallen. Dit is afhankelijk van het ontwikkelde systeem.
Eenmaal samengesteld vormen de verbindingshulpstukken een eenheid met de inwendige stalen verstijvingen in het kunststof profiel. Vanzelfsprekend moeten ook voor de kunststof gevelelementen, uitgevoerd met mechanische verbindingen, een basisrapport en KOMO-attest-met-productcertificaat van toepassing zijn. Aan VKG-gevelelementen waarin profielontmoetingen mechanisch worden verbonden worden de volgende eisen gesteld:

• tot een regel- en stijllengte van 1200 mm moet de mechanische verbinding conform de Richtlinie des Instituts für Fenstertechnik e.V. getest worden;
• bij een regel- en stijllengte > 1200 mm moet de mechanische verbinding getest worden conform BRL 0703 volgens de “Richtlijn mechanische verbindingen”, vastgesteld door het CvD d.d. 9-10-2008.

Toelichting:
Verbindingssystemen voor vlakke, respectievelijk verdiepte profielsystemen of combinaties van beide, dienen apart beoordeeld te worden. Indien een verdiept systeem is getest geldt deze test ook voor het vlakke systeem. Het omgekeerde geldt niet. Als bovenstaande proef van de mechanische verbindingen is uitgevoerd, dient voldaan te zijn aan de volgende esthetische eisen:

• naden tussen mechanisch verbonden profielontmoetingen mogen niet groter dan of gelijk zijn aan 0,3 mm;
• het verschil in vlakheid van gelijke profielontmoetingen mag niet meer dan of gelijk zijn aan 0,6 mm.

Daarnaast gelden bij gebruik van mechanische verbindingen de volgende eisen:

• de vier buitenhoeken van een kader van een kunststof gevelelement dienen gelast te zijn;
• gevelelementen waarin mechanische verbindingen zijn gebruikt dienen met aluminium of thermisch verzinkte staalprofielen versterkt te zijn;
• de mechanische verbinding dient als “starre verbinding” te worden uitgevoerd, waarbij de krachtoverbrenging op de plaats   van de verbinding wordt overgedragen op het versterkingsprofiel;
• bij het monteren van gevelelementen met een mechanische verbinding door middel van schroeven dient extra aandacht besteed te worden aan de juiste schroefafstand vanuit de stijl of regel en aan het uitvullen van het kozijn op de plaats van de schroefverbinding.

Vastlegging van een beproefd systeem van mechanische verbindingen in een attest:
In het attest behorende bij het beproefde systeem van mechanische verbindingen wordt op een eenduidige wijze vastgelegd welk verbindingssysteem voldoet aan de eisen. Daartoe worden in het attest ten minste tekeningen van de onderdelen van de mechanische verbindingen opgenomen, alsmede een doorsnede waaruit blijkt hoe de verbinding gecombineerd wordt met het profielsysteem.

4.10.3.2 Mechanische verbindingen tussen kunststof profielen en afwijkende materialen

Mechanische verbindingen kunnen ook worden aangebracht tussen kunststof profielen en andere materialen dan een kunststof profiel, bijvoorbeeld bij een onderdorpel. De prestaties van een dergelijke verbindingsconstructie moeten worden getest met een ITT-beproeving, uitgevoerd door een erkend laboratorium.

4.11 Andere materialen dan kunststof
4.11.1 Algemeen

Net als bij gevelelementen van hout, staal en aluminium, worden bij kunststof gevelelementen andere materialen dan alleen profielen van ongeplastificeerd pvc gebruikt. Deze materialen zijn er in twee categorieën:

• noodzakelijk bij de productie van het gevelelement (bijvoorbeeld in- en/of uitwendige verstijvingsprofielen,                           afdichtingsprofielen, hang-en-sluitwerk, bevestigingsmiddelen, etc.);
• noodzakelijk bij de montage van het gevelelement (bijvoorbeeld bevestigingsankers, glas en/of dichte panelen,                     aansluitprofielen, etc.).

Materialen die nodig zijn voor de productie (en montage) van kunststof VKG-gevelelementen moeten aan de volgende eisen voldoen:

• alle materialen mogen geen prioritaire stoffen bevatten en alle daarin gebruikte grondstoffen moeten cfk-vrij zijn;
• materialen die direct in aanraking komen met kunststof moeten vrij zijn van migrerende bestanddelen.

4.11.2 Verstijvingen
4.11.2.1 Metalen verstijvingen

Stalen onderdelen, zoals in- en uitwendige verstijvingskokers (aan de binnenzijde van het gevelelement aangebracht) moeten van een van de onderstaande beschermlagen worden voorzien:

• senzimir verzinkt;
• thermisch verzinkt;
• met zink bespoten.

De zinklaag moet een gemiddelde laagdikte hebben van ± 10 micrometer. Dat komt overeen met een zinkgewicht van 140 gram per m2. De laagst gemeten waarde mag niet kleiner zijn dan 60% van de vereiste gemiddelde waarde.
Kopse kanten, zaagsneden, boorgaten en dergelijke van deze verstijvingsprofielen dienen als volgt te worden behandeld:

• verstijvingsprofielen met een wanddikte van minder dan of gelijk aan 2 mm hoeven niet te worden behandeld;
• verstijvingsprofielen met een wanddikte van meer dan 2 mm:
- uitwendig buiten met zinkstofcompound;
- uitwendig binnen met zinkstofcompound;
- inwendig gesloten hoeven niet te worden behandeld;
- inwendig open met zinkstofcompound;
- uitwendige verstijvingskokers, aan de buitenzijde van het VKG-gevelelement aangebracht, dienen te voldoen aan NEN 1461.

4.11.2.2 Andersoortige verstijvingen

Als aangetoond kan worden dat alternatieve manieren van versterken in de toepassing voldoende sterkte en stijfheid hebben, kunnen deze i.p.v. staalversterkingen toegepast worden. De alternatieven kunnen zowel onlosmakelijk geïntegreerd zijn in het gevelelement zelf alsook inwendig en/of als uitwendige versterking (aan de binnenzijde of buitenzijde van het gevelelement) aangebrachte profielen zijn.

Als deze alternatieven niet gevoelig zijn voor vocht, corroderen, etc. is geen extra behandeling van de kopse kanten, zaagsneden, boorgaten en dergelijk noodzakelijk. Indien deze alternatieven wel gevoelig zijn voor vocht, corroderen, etc. moeten maatregelen getroffen worden om inwerken van vocht, corroderen, etc. te voorkomen. Deze maatregelen kunnen zijn het aanbrengen van een corrosiewerende laag, aanbrengen van een kunsthars, etc.

4.11.2.3 Afdichtingsmaterialen

Afdichtingsmaterialen moeten een zodanige samenstelling hebben en zo zijn aangebracht dat zij niet kunnen vastvriezen. Dit geldt voor afdichtingsmaterialen:

• tussen beweegbare delen en het kozijn;
• als opsluiting van de glas- en/of dichte panelen;
• als aansluiting tussen kunststof VKG-gevelelement en bouwkundig kader of stelkozijn.

Afdichtingsmaterialen die door hun ‘sponsachtige’ samenstelling of structuur vocht kunnen opnemen zijn niet toegestaan. Afdichtingsmaterialen aan de buitenzijde als aansluiting tussen kunststof VKG-gevelelement en bouwkundig kader moeten bestand zijn tegen atmosferische invloeden (bijvoorbeeld uv-bestendig).

4.12 Maattoleranties van geëxtrudeede profielen

Hard pvc laat zich goed extruderen tot profielen. De mechanische en fysische eigenschappen van de profielen zijn belangrijk voor de sterkte, uitzetting, isolatie, doorbuiging, bevestiging van het beslag etc.
VKG-gevelelementen moeten weerstand bieden aan de winddruk, de zuiging aan de lijzijde van een gebouw, het gewicht van het glas en belastingen veroorzaakt door de gebruiker.

NEN-EN 12608 stelt eisen aan geëxtrudeerde kunststof profielen met betrekking tot:

• uiterlijk;
• afmetingen en toleranties;
• krimp;
• temperatuur;
• belasting;
• doorbuiging;
• slagvastheid;
• lasbaarheid;
• bestandheid tegen zonlicht en andere atmosferische omstandigheden en kleurechtheid.

Zowel de hoofdprofielen als de hulpprofielen die worden gebruikt voor de vervaardiging van kunststof VKG-gevelelementen, moeten voldoen aan de eisen die deze norm stelt. De fabrikant van de profielen geeft de toleranties op voor groeven voor afdichtingsprofielen en hang-en sluitwerk en plaatsing van eventuele rillen (binnen in de profielen) voor het fixeren van inwendige verstijvingen, etc.

4.13 Maatafwijkingen

Er moet zodanig geconstrueerd en gedimensioneerd worden dat maatafwijkingen kunnen worden opgenomen zonder schade of consequenties voor de vereiste prestaties die een gevolg zijn van:

• toleranties op eigen werk;
• toleranties op het bouwkundig kader waarop moet worden aangesloten;
• stelruimte.

De opdrachtgever dient op te geven met welke toleranties ten opzichte van stramienmaten en peilmaten het bouwkundige kader zal worden gerealiseerd.

4.14 Glaslatten

Glaslatten dienen, indien mogelijk, aan de binnenzijde te worden aangebracht en moeten via de afdichtingrubbers voor een goede afdichting zorgen.
Buitenbeglazing is toegestaan indien in de gebruikstoestand het (glas)paneel niet meer vanaf de binnenzijde uitneembaar is (bijvoorbeeld vóór muurwerken, kolommen, eventueel bestaande borstweringen, etc.). Bij buitenbeglazing moet, zo nodig, de inbraakwerendheid worden gewaarborgd.
De glaslatconstructie behoort zodanig te zijn dat ook na herhaalde demontage voldoende bevestiging gewaarborgd is.      
Deze eis van herhaalde montage geldt niet voor speciale constructies, zoals inbraakveilige constructies.
Verder mogen de glaslatten onder invloed van temperatuurwisselingen niet vrijkomen van de hoofdprofielen.
Bij buitenbeglazing mogen de glaslatten ook niet eenvoudig en zonder beschadigingen kunnen worden verwijderd.
Bij glaslatten mag de naad niet meer zijn dan 0,5 mm.

4.15 Maatvoering en toleranties

De toleranties van kunststof VKG-gevelelementen na de assemblage, gemeten bij kamertemperatuur, zijn als volgt:

plaatje 4.15.jpg


4.16 Profielontmoetingen

De norm NEN-EN 12608 omschrijft de toegestane toleranties voor de lengte van profielen. Deze zijn:

• voor profielen met een diepte kleiner of gelijk aan 80mm geldt een tolerantie van ± 0,3 mm;
• voor profielen met een diepte boven de 80mm geldt een tolerantie van ± 0,5 mm.

Bij gelaste profielontmoetingen dienen de verstekken en T-verbindingen zodanig (ge)dicht te zijn, dat blijvend voldaan is aan eisen van luchtdoorlatendheid en waterdichtheid van het gevelelement.

Bij in de fabriek samengestelde VKG-gevelelementen mag de ongelijkheid van profielontmoetingen, gemeten in het vlak van de pui, bij versteknaden en T-verbindingen niet meer bedragen dan:

• 0,6 mm voor profielen met een diepte kleiner of gelijk aan 80 mm;
• 1 mm voor profielen met een diepte boven de 80 mm.

4.17 Plaatconstructies

Dit onderdeel is van toepassing op plaatconstructies en panelen die niet in een sponning zijn opgenomen. Het behandelt zowel plaat- als sandwichconstructies.
Het is technisch niet mogelijk plaatwerk te vervaardigen dat absoluut vlak is. Ook is er nog geen praktisch bruikbare rekenmethode om de vereiste dikte van beplating te berekenen.

Panelen moeten haaks zijn, waarbij de tolerantie 2 mm/m1 bedraagt.

Plaatconstructies voor een luchtdichte achtergrondconstructie zijn onderhevig aan externe druk en de druk in de spouw tussen element en achterconstructie. In de meeste gevallen is voor het ontwerp van plaatconstructies de onderdruk maatgevend. Spouwcompartimentering, zowel horizontaal als verticaal, speelt hierin een belangrijke rol.

De maximale afwijking van vlakheid in onbelaste toestand (inbegrepen temperatuurbelasting) en gemeten in de stand van zijn toepassing (in het vlak van het paneel) mag over de diagonalen gemeten onder een rei nergens meer bedragen dan ± 5 mm/m1 met een absoluut maximum van ± 10 mm. De maximale afwijking van vlakheid over een beperkt oppervlak mag over een afstand van 100 mm in absolute zin nergens meer bedragen dan ± 1 mm. Over een afstand van 500 mm bedraagt de maximale afwijking ± 2 mm.

Voor het meten van vlakheid dienen de volgende hulpmiddelen aanwezig te zijn:

• een meetinstrument waarvan de afleesbaarheid een nauwkeurigheid bezit van 0,1 mm;
• een reilat van voldoende stijfheid en met een lengte die ten minste gelijk is aan de lengte van de te meten overspanning   vermeerderd met minimaal 150 mm;
• twee identieke (houten) klosjes met afmetingen van ca. 100 x 25 mm en dikte X. Het onder- en bovenvlak van de klosjes moet planparallel zijn.

Afwijkingen in hoekverdraaiingen bij plaatconstructies en lekdorpels zijn toegestaan, mits de toepasbaarheid niet in het gedrang komt.

Een paneel mag na montage niet meer dan 5 mm scheluw zijn.

Panelen, mits voorzien van een rondomlopend kader, dienen overeenkomstig NEN-EN 1990 en NEN-EN 1991, ook als ze niet zijn opgenomen in een sponning. Panelen mogen voorts, gemeten over de lengte van hun diagonaal, bij de meest ongunstige combinatie van belastingen niet meer doorbuigen dan maximaal 1/50 daarvan.
De blijvende vervorming moet kleiner zijn dan 1 mm.
Sandwichpanelen, gebruikt als uitwendige scheidingsconstructie, dienen te voldoen aan het gestelde in § 4.3.

4.18 Maximale kromming kunststof deuren

Voor de maximaal toegestane kromming van deuren is het uitgangspunt dat de deur functioneel blijft in vergrendelde toestand en blijft voldoen aan de functionele eisen (zoals wind- en waterdichtheid). Een belangrijke rol speelt hierin de aan te houden deurhoogte. In het huidige Bouwbesluit geldt voor nieuwbouwwoningen een vrije doorloophoogte van 2300 mm.

De maximale kromming van kunststof deuren bedraagt 6 mm.

plaatje 4.18.jpg


4.19 Hang-en sluitwerk
4.19.1 Algemeen

Hang-en sluitwerk van het VKG-gevelelement dient zonder blijvende vervorming bestand te zijn tegen belastingen overeenkomstig NEN EN 1990 en NEN EN 1991.
Indien ramen en deuren moeten voldoen aan een klasse voor inbraakwerendheid volgens NEN 5096, mag voor de bepaling van gelijkwaardigheid met de technische specificaties van een beproefd element voor de toepassing van alternatief hang- en sluitwerk gebruik worden gemaakt van uitvoeringsrichtlijn 9901.

Hang-en sluitwerk en bevestigingsmiddelen behoren te zijn vervaardigd van corrosievast materiaal of van een corrosiebeschermende afwerking te zijn voorzien. Het aangebrachte hang-en sluitwerk mag de inwendige verstijvingsprofielen niet in hun functie aantasten. Sluitplaatjes en -kommen moeten zodanig aansluiten in het profiel, dat verdraaiing hiervan niet mogelijk is.

4.19.2 Scharnieren

Naar binnen of naar buiten draaiende ramen en deuren behoren te zijn afgehangen aan opschroefbare scharnieren.
Deuren dienen voorzien te zijn van minimaal drie scharnieren, ramen van twee scharnieren.
De bevestigingsschroeven kunnen op een van de volgende wijzen zijn aangebracht:

• door meerdere wanden van het kunststof profiel;
• door minimaal een wand van het kunststof profiel en door de wand van het inwendig verstijvingsprofiel.

Scharnieren van naar buiten draaiende ramen en deuren behoren tegen inbraak geborgd te zijn.
Indien een eis is gesteld aan de inbraakwering dienen bij naar buiten draaiende ramen en deuren aan de scharnierzijde inbraakwerende voorzieningen te worden getroffen, zoals bedoeld in 9. Inbraakwerendheid.

4.19.3 Sluitwerk

Draaipunten van raamkrukken, espagnoletten, uitzetters en dergelijke moeten tegen corrosie zijn beschermd volgens NEN 5089. Als ramen en deuren inbraakwerend moeten zijn, moet ten minste één sluitpunt met een sleutel afsluitbaar zijn, tenzij inbraakwerende beglazing is gebruikt. Dit geldt niet voor alle klassen van inbraakwerendheid. Inbraakwerende beglazing moet verhinderen dat door het maken van een handgat in het glas sluitingen voor het openen van ramen of deuren kunnen worden bediend. In inbraakwerende ramen en deuren zijn handbediende sluitpunten zonder weerstand tegen manipuleren niet toegestaan. Knopbediening of bediening (grendels) met ontgrendelknop moeten de vereiste weerstand tegen manipuleren bezitten.

4.19.4 Wielen van schuifelementen

De wielen van schuifelementen mogen geen blijvende vervorming vertonen ten gevolge van de normaal optredende belastingen, zoals het eigen gewicht van het beweegbare deel, en/of ten gevolge van de gebruikelijke temperatuurwisselingen.

4.19.5 Onderhoud

Al het hang-en sluitwerk moet regelmatig worden onderhouden, zodat het soepel blijft functioneren.

4.19.6 Nooduitgangen en vluchtdeuren

Opdrachtgevers en overheden kunnen eisen stellen aan het hang-en sluitwerk dat wordt gebruikt voor nooduitgangen en vluchtdeuren, door te verwijzen naar NEN-EN 179, respectievelijk NEN-EN-1125.
Er kunnen drie toepassingsgebieden worden aangeduid.

a. Paniekopeners. In situaties en gebouwen waarin veel mensen tegelijkertijd aanwezig zijn die geen goede kennis hebben van de situatie (scholen, winkelcentra, ziekenhuizen, theaters, discotheken, sportcomplexen, restaurants e.d.). Vluchtdeuren dienen te worden voorzien van paniekopeners volgens NEN-EN-1125 (d.i. met duwbalken of stangen). Dit product dient   CE-gemarkeerd te zijn.

b. Noodopeners. In situaties en gebouwen waarin minder mensen aanwezig zijn, waarbij niet aangenomen kan worden dat ze allen goede kennis hebben van de situatie (kantoren, werkplaatsen e.d.). Vluchtdeuren dienen te worden voorzien van noodopeners volgens NEN-EN-179 (d.i. met kruk of duwplaat). Dit product dient CE-gemarkeerd te zijn.

c. Andere vluchtmogelijkheid. Dit toepassingsgebied is niet genormeerd en betreft situaties waarin slechts weinig mensen tegelijk aanwezig zijn, die bovendien goed op de hoogte zijn van de situatie (woningen, kleine kantoren e.d.). Hierbij kan worden volstaan met voorzieningen zoals knopcilinders of draaiknoppen.

4.20 Waterhuishouding

Dit onderdeel is niet van toepassing op binnenpuien.

Het is van belang dat zo veel mogelijk wordt voorkomen dat regenwater in sponningen dringt. Het water neemt vuil mee dat zich in de sponningen afzet. Vuil en water belasten de sponningomgeving, zoals afdichtingen en oppervlaktebehandeling.

De volgende maatregelen zijn van belang:

• onderlinge aansluiting van beglazingsrubbers en dichtingsrubbers moet van een geschikte, waar nodig elastische,afdichting worden voorzien om binnendringen van regenwater te voorkomen;

• de beglazingsdruk tussen de glasrubbers en de ruiten of panelen mag niet minder dan 500 N/m bedragen. Ter bescherming van de randverbinding mag bij gebruik van isolatieglas de beglazingsdruk een maximum van 1500 N/m niet overschrijden. Deze waarden gelden ook voor geschroefde glaslijsten over de gehele lengte;
• sponningbreedte, glasdikte en de stuik-drukeigenschappen van de beglazingsrubbers dienen op elkaar te zijn afgestemd;
• om te voorkomen dat regenwater in sponningen wordt aangezogen dient de luchtdruk in de sponningen zo veel mogelijk gelijk te zijn aan de luchtdruk buiten. Daartoe moeten de sponningen voorzien zijn van beluchtingsopeningen naar de buitenzijde en naar de binnenruimte zo luchtdicht mogelijk te zijn afgewerkt.
• bestand tegen vocht (bijv. kans op corroderen of kortsluiting).

De praktijk heeft geleerd dat ondanks de vele voorzorgsmaatregelen er toch regenwater in sponningen kan dringen. Het is daarom van belang dit water zo snel mogelijk en op geschikte wijze af te voeren. Als te kleine waterafvoergaten (zie § 3.4) bovendien als beluchtingsopeningen moeten dienen, vindt geen beluchting plaats doordat het water de gaten afsluit. Er ontstaat dan een waterkolom boven elk afvoergat. Als gezien de aard van de sponningconstructie en de waterafvoer zich een waterkolom in de sponning kan opbouwen, mag dat nooit tot gevolg hebben dat water komt op plaatsen die daar niet voor zijn ontworpen. Het opbouwen van een waterkolom in de sponning kan voorkomen worden door beluchtingsopeningen boven in de sponning aan te brengen.

4.21 Geprefabriceerde VKG-elementen

Voornamelijk bij hoogbouwprojecten is het aan te bevelen de gevel uit te voeren in geprefabriceerde VKG-gevelelementen. Daarbij dient in de ontwerpfase rekening gehouden te worden met aspecten zoals:

• lange voorbereidingstijd;
• de logistiek tijdens productie, transport en montage;
• het gewicht en de montagewijze;
• de vervangbaarheid van gevelcomponenten;
• de visuele beleving van maatafwijkingen;
• de visuele beleving van naden tussen elementen onderling;
• de waterhuishouding;
• wind- en waterdichtheid van aansluitingen tussen gevelelementen onderling en op het bouwkundig kader;
• bouwfysische aspecten bij de bouwkundige aansluitingen;
• de gevel als gebouwomhulling.

4.22 Leidingen

Integratie van installaties in VKG-gevelelementen is niet ongewoon. Daarbij kan de VKG-gevelelementenfabrikant te maken krijgen met leidingen voor bijvoorbeeld water, elektra, data, etc. Het is van belang dat er duidelijke afspraken worden gemaakt over de werkzaamheden en de verantwoordelijkheden. Aandachtspunten daarbij zijn:

• doorvoeren (i.v.m. brandeigenschappen, luchtdoorlatendheid, geluidsisolatie);
• bereikbaarheid voor onderhoud, herstel en/of vervanging;
• aansluitingen tussen leidingen onderling en/of op de gebouwinstallatie;
• aansluiting op het gebouw beheer systeem;
• bestandheid tegen vocht (bijv. kans op corroderen of kortsluiting).