4.17 Plaatconstructies

Dit onderdeel is van toepassing op plaatconstructies en panelen die niet in een sponning zijn opgenomen. Het behandelt zowel plaat- als sandwichconstructies.
Het is technisch niet mogelijk plaatwerk te vervaardigen dat absoluut vlak is. Ook is er nog geen praktisch bruikbare rekenmethode om de vereiste dikte van beplating te berekenen.

Panelen moeten haaks zijn, waarbij de tolerantie 2 mm/m1 bedraagt.

Plaatconstructies voor een luchtdichte achtergrondconstructie zijn onderhevig aan externe druk en de druk in de spouw tussen element en achterconstructie. In de meeste gevallen is voor het ontwerp van plaatconstructies de onderdruk maatgevend. Spouwcompartimentering, zowel horizontaal als verticaal, speelt hierin een belangrijke rol.

De maximale afwijking van vlakheid in onbelaste toestand (inbegrepen temperatuurbelasting) en gemeten in de stand van zijn toepassing (in het vlak van het paneel) mag over de diagonalen gemeten onder een rei nergens meer bedragen dan ± 5 mm/m1 met een absoluut maximum van ± 10 mm. De maximale afwijking van vlakheid over een beperkt oppervlak mag over een afstand van 100 mm in absolute zin nergens meer bedragen dan ± 1 mm. Over een afstand van 500 mm bedraagt de maximale afwijking ± 2 mm.

Voor het meten van vlakheid dienen de volgende hulpmiddelen aanwezig te zijn:

• een meetinstrument waarvan de afleesbaarheid een nauwkeurigheid bezit van 0,1 mm;
• een reilat van voldoende stijfheid en met een lengte die ten minste gelijk is aan de lengte van de te meten overspanning   vermeerderd met minimaal 150 mm;
• twee identieke (houten) klosjes met afmetingen van ca. 100 x 25 mm en dikte X. Het onder- en bovenvlak van de klosjes moet planparallel zijn.

Afwijkingen in hoekverdraaiingen bij plaatconstructies en lekdorpels zijn toegestaan, mits de toepasbaarheid niet in het gedrang komt.

Een paneel mag na montage niet meer dan 5 mm scheluw zijn.

Panelen, mits voorzien van een rondomlopend kader, dienen overeenkomstig NEN-EN 1990 en NEN-EN 1991, ook als ze niet zijn opgenomen in een sponning. Panelen mogen voorts, gemeten over de lengte van hun diagonaal, bij de meest ongunstige combinatie van belastingen niet meer doorbuigen dan maximaal 1/50 daarvan.
De blijvende vervorming moet kleiner zijn dan 1 mm.
Sandwichpanelen, gebruikt als uitwendige scheidingsconstructie, dienen te voldoen aan het gestelde in § 4.3.